Glyfosaat

De afgelopen jaren is er in verschillende media commotie geweest naar aanleiding van een bericht van het International Agency for Research on Cancer (IARC), waarin men de onkruidbestrijder glyfosaat als waarschijnlijk kankerverwekkend indeelt. Intussen moest op EU-niveau een beslissing worden genomen over het al dan niet vernieuwen van de goedkeuring van glyfosaat. Tijd dus voor een stand van zaken (bijgewerkt op 30 november 2017).

In de onderstaande tekst komen de volgende vragen aan bod:

  1. Wat is glyfosaat?
  2. Hoe werd glyfosaat in de Europese Unie beoordeeld?
  3. Wat heeft het IARC gepubliceerd?
  4. Werd in de EU-beoordeling rekening gehouden met het IARC rapport?
  5. Waarom zijn het IARC en de EFSA tot tegenstrijdige conclusies gekomen?
  6. Heeft het Franse Agentschap ANSES de IARC-indeling niet bevestigd?
  7. Is de EU-procedure voor de evaluatie van glyfosaat eigenlijk wel transparant?
  8. Hoe zit het met de onafhankelijkheid van de experts die glyfosaat hebben beoordeeld?
  9. Is glyfosaat een endocriene stoorstof?
  10. Hoe gevaarlijk is glyfosaat voor het leefmilieu?
  11. De norm voor de “aanvaarbare dagelijkse inname” (ADI) van glyfosaat werd verhoogd. Betekent dit dat er meer glyfosaatresiduen in het voedsel zullen zitten?
  12. Is het niet zo dat glyfosaat overal teruggevonden wordt?
  13. Wordt er wel voldoende aandacht besteed aan de formuleringshulpstoffen, zoals POE-tallowamine, die in een gewasbeschermingsmiddel aanwezig zijn?
  14. Welke studies worden in rekening gebracht?
  15. Hebben de ‘Monsanto Papers’ niet aangetoond dat de studies gemanipuleerd worden?
  16. Hoe werd de EU-goedkeuring van glyfosaat vernieuwd?
  17. Hoe ver staat het met de beoordeling van de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat door ECHA?
  18. Wat doen de Belgische autoriteiten?
  19. Hebben andere EU-lidstaten al beperkende maatregelen genomen ten aanzien van glyfosaat?

1. Wat is glyfosaat?

Glyfosaat is een onkruidbestrijdingsmiddel dat al tientallen jaren is toegelaten. Het kenmerkt zich door een korte nawerking. Het is toegelaten in alle 28 lidstaten van de Europese Unie. Het kent vele toepassingen, zoals onder andere:

  • op landbouwgronden voor het zaaien of planten van een gewas
  • op spoorwegen
  • in tuinen voor gebruik door de tuinliefhebber

Een volledig overzicht van alle in België toegelaten toepassingen vindt u via toelatingen raadplegen.

Glyfosaat wordt dikwijls in verband gebracht met genetisch gewijzigde gewassen. Er bestaan inderdaad gewassen die genetisch gewijzigd zijn zodat ze niet langer gevoelig zijn voor glyfosaat. Daardoor kan glyfosaat in deze gewassen worden gebruikt zonder er schade toe te brengen. In België is een dergelijk gebruik van glyfosaat niet toegelaten.

Top ↑

2. Hoe werd glyfosaat in de Europese Unie beoordeeld?

In de EU zijn gewasbeschermingsmiddelen sinds 1993 aan een dubbele toelatingsprocedure onderworpen. De werkzame stof moet eerst op EU-niveau worden goedgekeurd. Vervolgens kunnen de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen toelaten die zo’n goedgekeurde stof bevatten.

Glyfosaat werd op EU-niveau voor het eerst goedgekeurd op 01/07/2002. De procedure verliep als volgt:

  • Duitsland werd als rapporterende lidstaat aangewezen door de Europese Commissie en heeft een evaluatieverslag (een ‘draft assessment report’ of DAR) opgesteld.
  • experts van alle lidstaten hebben het Duitse verslag nagekeken ; de experts hebben de Duitse DAR ook in een vergadering besproken.
  • de Europese Commissie heeft in overleg met de lidstaten besloten tot de goedkeuring van glyfosaat. Een verslag van de Commissie is openbaar.

Er werd onder andere geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat glyfosaat kankerverwekkend zou zijn.

De EU-goedkeuring is beperkt in de tijd. Er werd een aanvraag tot vernieuwing van de goedkeuring ingediend. Duitsland was opnieuw de rapporteur. Het gedetailleerde Duitse evaluatieverslag dateert van december 2013. Het is beschikbaar via de website van de European Food Safety Authority (EFSA).

Het dossier dat werd beoordeeld door Duitsland bevat niet alleen studies uitgevoerd in opdracht van de producent, maar ook alle relevante tijdens de voorbije 10 jaar gepubliceerde studies, waaronder ook deze beoordeeld door het IARC (zie vraag 3). Duitsland heeft een groter aantal studies inzake kankerverwekkende eigenschappen beoordeeld dan het IARC.

Duitsland heeft besloten dat er zeer beperkte aanwijzingen zijn van kankerverwekkende eigenschappen in proeven uitgevoerd op muizen met overdreven hoge doses, die echter onvoldoende zijn om glyfosaat in te delen als kankerverwekkend.

Naar aanleiding van het Duitse verslag heeft EFSA in 2015 een vergadering met experts gewijd aan de toxicologische eigenschappen van glyfosaat. EFSA, als wetenschappelijke onafhankelijke organisatie, heeft haar Conclusie op 12 november 2015 gepubliceerd. EFSA concludeert dat glyfosaat niet als kankerverwekkend moet worden ingedeeld.

Top ↑

3. Wat heeft het IARC gepubliceerd?

Het IARC heeft op 20 maart 2015 een nota, alsook een korte samenvatting (beiden 2 bladzijden) in het wetenschappelijk tijdschrift ‘The Lancet Oncology’ gepubliceerd in 2015 waarin een nieuwe indeling inzake kankerverwekkende eigenschappen wordt voorgesteld voor 5 werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen (waaronder glyfosaat, de enige van deze 5 die in België is toegelaten). De volledige IARC-evaluatie (met daarin de gegevens die beoordeling ervan toelaten) werd pas op 29 juli 2015 gepubliceerd.

Het IARC heeft voorgesteld dat glyfosaat moet worden ingedeeld in de klasse 2A als “waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens". Het IARC preciseert dat deze indeling is gebaseerd:

  • op sinds 2001 gepubliceerde studies inzake de blootstelling van mensen aan glyfosaat en
  • op studies met laboratoriumdieren.

Het IARC heeft echter geen enkele wettelijke bevoegdheid in Europa. Onder de Europese wetgeving wordt glyfosaat momenteel niet als kankerverwekkend beschouwd. Niettemin is deze indeling een nieuw gegeven waar niet zomaar aan voorbij kan worden gegaan.

Daarom hebben de Europese en nationale instanties, waaronder de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, deze studie zo snel mogelijk beoordeeld. Eventuele beperkende maatregelen of een verbod van een stof moeten worden gemotiveerd, en zo’n motivatie kan enkel berusten op wetenschappelijk gronden.

Top ↑

4. Werd in de EU-beoordeling rekening gehouden met het IARC rapport?

De Europese Commissie heeft EFSA uitdrukkelijk gemandateerd om de bevindingen van het IARC nauwkeurig te onderzoeken vooraleer haar Conclusie te publiceren. De Commissie heeft onder andere gepreciseerd dat EFSA moet nagaan:

  • of het IARC toegang had tot meer informatie dan deze waarover de rapporterende lidstaat Duitsland beschikte.
  • in hoeverre de IARC-evaluatie gebaseerd is op enerzijds informatie over de werkzame stof glyfosaat en anderzijds op gegevens die betrekking hebben op formuleringen die naast glyfosaat nog andere bestanddelen bevatten.
  • of er een duidelijk verband bestaat tussen de fenomenen zoals vastgesteld in het IARC-rapport en de toepassing van glyfosaat bevattende gewasbeschermingsmiddelen in overeenstemming met de goede gewasbeschermingspraktijken in Europa.
  • of de toxicologische indeling zoals voorgesteld door de rapporterende lidstaat Duitsland moet worden aangepast.

Eind september 2015 heeft EFSA hierover overlegd met een aantal Europese experts in toxicologie. Een Belgische expert heeft aan dit overleg deelgenomen.

Top ↑

5. Waarom zijn het IARC en de EFSA tot tegenstrijdige conclusies gekomen?

EFSA heeft samen met experts van de lidstaten en experts van het IARC, WHO, USEPA en ECHA de IARC-monografie en meer in het algemeen de eventuele kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat in detail besproken. De conclusie van de EU-vertegenwoordigers was: “Based on a weight of evidence approach, the evidence does not support classification with regard to carcinogenicity, (one minority view)”. Deze vergadering heeft ook toegelaten beter te begrijpen wat ten grondslag ligt aan de uiteenlopende visies van EFSA en IARC. Het gaat daarbij om de volgende elementen:

  • Het voornaamste was dat het aantal dierstudies in het EU-dossier veel groter was dan in het IARC-dossier, wat dus de mogelijkheid bood om een meer verfijnde analyse uit te voeren.
  • Voorts gebruikt de EU een andere strategie om de gegevens statistisch te verwerken. Zo heeft men in de EU-review een balans gemaakt tussen enerzijds trends in tumorvorming (die door het IARC als relevant werden geacht) en anderzijds alle andere beschikbare gegevens, zoals extreme toxiciteit, spontane tumorincidenties (“historische controles”), en de afwezigheid van een consistente respons in vergelijkbare lange-termijnstudies met glyfosaat. Het IARC daarentegen heeft vooral aandacht besteed aan de trend in tumorvorming.
  • Bij de beoordeling van epidemiologische studies gaven de EU-experts een groter gewicht aan de uitkomst van de grootste en naar hun opinie relevantere “Agricultural Health Study” dan aan de andere studies. Het IARC daarentegen vond dat ook de kleinere, minder gedetailleerde studies even belangrijke conclusies opleverden als de meest uitgebreide studie. Net als bij de experimentele dierstudies laten de thans bestaande epidemiologische studies trouwens geen consistent beeld zien betreffende het kankerverwekkende vermogen van glyfosaat, ook al omdat de bestudeerde populaties aan talloze producten blootgesteld werden, waarbij het aandeel van glyfosaat op de menselijke gezondheid onduidelijk wordt.
  • Het mandaat van de EFSA is er voornamelijk op gericht de eigenschappen van de stof te bestuderen, en niet van de talloze producten (mengsels) die op de markt worden gebracht. Gepubliceerde gegevens van studies uitgevoerd op producten waarvan de herkomst niet altijd op te sporen is of die van onduidelijke samenstelling zijn, geven geen eenduidig beeld van het gevaar of risico voor de gebruiker van de werkzame stof zelf.

Deze problematiek wordt in meer detail behandeld in het wetenschappelijk artikel 'Glyphosate toxicity and carcinogenicity: a review of the scientific basis of the European Union assessment and its differences with IARC'.

Top ↑

6. Heeft het Franse Agentschap ANSES de IARC-indeling niet bevestigd?

Het ANSES (Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail) heeft zich gebogen over de vraag naar de eventuele kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat. Een groep experts heeft de evaluatieverslagen van het IARC, van EFSA en van de Europese rapporterende lidstaat Duitsland bestudeerd. Deze groep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om glyfosaat volgens de criteria van de geldende EU-wetgeving (Verordening (EG) nr. 1272/2008) als 1A (bekend als kankerverwekkend voor mensen) of 1B (verondersteld kankerverwekkend voor mensen) in te delen. Over een indeling in categorie 2 (verdacht kankerverwekkend voor mensen) kon de groep zich niet uitspreken zonder een gedetailleerde analyse van de studies zelf te hebben uitgevoerd.

Het door het IARC gehanteerde indelingssysteem verschilt van dat van de Verordening (EG) nr. 1272/2008, maar een indeling door het IARC in categorie 2A (vermoedelijk kankerverwekkend) sluit het dichtst aan bij de indeling als 1B onder Verordening (EG) nr. 1272/2008. Met andere woorden, het advies van het ANSES bevestigt de indeling zoals vastgesteld door het IARC niet. Niettemin, gelet op de onzekerheid over een eventuele indeling in categorie 2 (in toepassing van de Verordening (EG) nr. 1107/2009), stelt het Franse agentschap dat het nodig is dat de European Chemicals Agency (ECHA) de indeling van glyfosaat herziet. Het proces dat moet leiden tot een herziening van EU-indeling door het ECHA is overigens afgesloten (zie vraag 17). België, alsook de andere EU-lidstaten, hebben zich trouwens onverdeeld uitgesproken ten voordele van een herbeoordeling door het ECHA.

Top ↑

7. Is de EU-procedure voor de evaluatie van glyfosaat eigenlijk wel transparant?

Transparantie is het kenmerk van de EU-procedure. De volgende documenten zijn beschikbaar op de website van de EFSA:

  • Een samenvatting van het dossier zoals ingediend door de producenten van deze werkzame stof.
  • Het volledige verslag (met uitzondering van een gedeelte dat vertrouwelijke informatie zoals het productieproces bevat) van de rapporterende lidstaat Duitsland, dat maar liefst 3945 bladzijden omvat, waaronder een lijst van 143 bladzijden met de geëvalueerde studies.
  • De EFSA Conclusie.
  • De achtergronddocumenten bij de EFSA Conclusie. In totaal gaat het om 1730 bladzijden met o.a. volgende elementen:
    • De commentaren die door diverse partijen (lidstaten, producenten, derden) op het Duitse verslag werden gemaakt, en de manier waarop deze commentaren werden beoordeeld (reporting tables en evaluation tables).
    • De volledige verslagen van de diverse expert meetings.
    • De commentaren op het ontwerp van de EFSA Conclusie.

Alles bij elkaar dus bijna 6000 publiekelijk beschikbare bladzijden met informatie over de grondslag en de wijze waarop glyfosaat werd beoordeeld in de EU-procedure.

De studies zelf waarop de evaluatie is gebaseerd worden niet gepubliceerd. Deze studies bevatten vertrouwelijke gegevens, zoals de namen van de onderzoekers. De gepubliceerde samenvattingen zijn echter voldoende uitgebreid voor een goed begrip van de studieresultaten. Niettemin heeft EFSA eind 2016 op vraag van een aantal leden van het Europese Parlement de volledige studies inzake genotoxiciteit en kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat, met inbegrip van alle ruwe gegevens, aan deze Parlementsleden bezorgd.

Top ↑

8. Hoe zit het met de onafhankelijkheid van de experts die glyfosaat hebben beoordeeld?

Duitsland, als rapporterende lidstaat, heeft de evaluatie laten uitvoeren door het Bundesinstitut für Risikobewertung (BfR), een wetenschappelijke overheidsinstelling. Deze instelling volgt erkende richtlijnen inzake goede wetenschappelijke praktijken.

EFSA, dat een peer review van de Duitse evaluatie heeft uitgevoerd en dat conclusies over de risico-evaluatie heeft opgesteld, is een onafhankelijke wetenschappelijke instelling van de Europese Unie. Tijdens de peer review van glyfosaat heeft EFSA meerdere vergaderingen met experts van de lidstaten georganiseerd. De deelnemende experts worden aangeduid door de autoriteiten van de lidstaten. Zij worden door EFSA uitgenodigd een jaarlijkse verklaring inzake belangen in te dienen. Deze verklaringen worden door EFSA op haar website gepubliceerd indien de experts daarin toestemmen. Op de EFSA website is ook een lijst beschikbaar van de overheidsinstellingen waartoe de experts behoren die aan de peer review meetings deelnemen.

Uiteindelijk zijn de conclusies over de risico-evaluatie wel de volledige verantwoordelijkheid van EFSA. Deze conclusies worden opgesteld door personeelsleden van EFSA. Ook zij moeten een jaarlijkse verklaring inzake belangen indienen.

De onafhankelijkheid van EFSA werd ook in twijfel getrokken met de bewering dat EFSA in haar Conclusie stukken tekst afkomstig uit het dossier van de glyfosaatproducenten zou hebben overgenomen. Dit klopt niet: in de EFSA Conclusie is geen enkele passage aan te wijzen die uit het dossier zou zijn gekopieerd. In het verslag van de rapporterende lidstaat Duitsland zijn wel enkele stukken tekst te vinden die letterlijk overeenstemmen met de door de producenten gemaakte samenvattingen van studies die steken in het dossier. Maar als deze samenvattingen  overeenkomen met de bevindingen van de rapporterende lidstaat dan is daar helemaal niets mis mee. Voor talrijke studies heeft de rapporterende lidstaat wel wijzigingen aangebracht in de samenvattingen gemaakt door de producenten. Deze wijzigingen zijn soms ingrijpend. Dit wijst erop dat de rapporterende lidstaat de studies en de samenvattingen ervan met een kritisch oog heeft bekeken. Dat een aantal samenvattingen niet gewijzigd hoefden te worden is allerminst vreemd. Bovendien werd het Duitse verslag grondig nagekeken door experts van de andere lidstaten en van EFSA. EFSA organiseerde ook een publieke raadpleging over dat verslag. Alle commentaren zijn publiek beschikbaar (zie vraag 7). Voor haar Conclusie baseert EFSA zich op alle elementen: de oorspronkelijke studies, het verslag van de rapporterende lidstaat, de commentaren op dat verslag en de discussies met de experts van de lidstaten tijdens de vergaderingen.

Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van allen die betrokken zijn bij het beoordelingsproces.

Top ↑

9. Is glyfosaat een endocriene stoorstof?

Vandaag zijn op EU-niveau nog geen definitieve criteria vastgesteld die moeten toelaten een endocriene stoorstof te identificeren. Niettemin wordt tijdens een EU-evaluatie van een werkzame stof steeds nagegaan of de thans bekende toxicologische werkingswijzen verband houden met een endocrien effect, wat inhoudt dat dus systematisch een evaluatie van de endocriene eigenschappen geschiedt. Wat glyfosaat betreft heeft EFSA in slechts één enkele studie effecten geciteerd waarvan niet valt uit te sluiten dat ze het gevolg zijn van een endocriene werkingswijze; in alle andere ingediende studies werd dergelijk effect echter niet vastgesteld. In reactie op de EFSA conclusie heeft een producent van glyfosaat medegedeeld te beschikken over recent uitgevoerde specifieke aanvullende studies die moeten aantonen dat er geen sprake is van een endocriene werkingswijze.

In september 2016 heeft de Europese Commissie EFSA gemandateerd om alle relevante informatie inzake de endocriene effecten van glyfosaat op te vragen bij de producenten van deze stof, en om een wetenschappelijke opinie over deze gegevens te formuleren. Deze opinie werd op 7 september gepubliceerd. De conclusie is dat er geen aanwijzingen zijn dat glyfosaat een endocriene stoorstof is.

In afwachting van de definitieve criteria voor het identificeren van de endocriene verstoorders gelden vandaag nog de zogenaamde interim (voorlopige) criteria, zoals vastgelegd in de Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens deze interim criteria is glyfosaat geen endocriene stoorstof.

Top ↑

10. Hoe gevaarlijk is glyfosaat voor het leefmilieu?

Glyfosaat heeft een relatief gunstig profiel wat de impact op het leefmilieu betreft: voor de meeste groepen van niet-doelorganismen heeft EFSA vastgesteld dat het risico laag is. Dat geldt voor waterorganismen, bijen, niet-doelarthropoden, aardwormen, bodemmacro-organismen en bodemmicro-organismen. Voor vogels en zoogdieren is het beeld iets meer genuanceerd: voor enkele scenario’s waren onvoldoende gegevens voorhanden om een verfijnde risico-evaluatie te verrichten terwijl de ‘first tier’ (d.w.z. de minst verfijnde) evaluatie niet toeliet tot een laag risico te besluiten. Niettemin is ook ten aanzien van deze groepen het globale beeld veeleer gunstig, en heeft EFSA dan ook geen enkele ‘issue that could not be finalised’ of ‘critical area of concern’ geïdentificeerd op het vlak van het leefmilieu, wat zou duiden op nader te onderzoeken of problematische eigenschappen. Voor de meeste goedgekeurde stoffen is dat wel het geval. Ook inzake mogelijke grondwatercontaminatie is de EFSA Conclusie geruststellend.

Top ↑

11. De norm voor de “aanvaarbare dagelijkse inname” (ADI) van glyfosaat werd verhoogd. Betekent dit dat er meer glyfosaatresiduen in het voedsel zullen zitten?

EFSA stelt inderdaad voor om de ADI van glyfosaat te verhogen van 0,3 tot 0,5 mg/kg lichaamsgewicht/dag. De ADI is een toxicologische referentiewaarde die aangeeft hoeveel glyfosaat we dagelijks (ons leven lang) mogen opnemen met het voedsel zonder dat dit effect heeft op ons lichaam. De ADI is doorgaans 100 keer kleiner dan de hoogste aan proefdieren toegediende dosis in toxiciteitsstudies waarbij geen schadelijk effect wordt waargenomen. Er wordt dus (terecht) een zeer ruime veiligheidsmarge aangehouden. De maximaal toegelaten residugehalten in levensmiddelen worden niet afgeleid van de ADI. Zij worden bepaald op grond van residuproeven uitgevoerd overeenkomstig de aangevraagde goede landbouwpraktijk voor de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel. Vervolgens wordt nagegaan of de aldus bekomen residuen al dan niet leiden tot een inname die de ADI overschrijdt. Een maximaal toegelaten residugehalte wordt slechts wettelijk vastgelegd nadat is aangetoond dat er geen gevaar bestaat op overschrijding van de ADI. Met andere woorden : de som van alle residuen in het voedsel is steeds kleiner dan wat we dagelijks mogen opnemen (de ADI). In het geval van glyfosaat is dat nog geen 50 % (zie hieronder).

Een verhoging van de ADI betekent dus niet dat er meer residuen in het voedsel worden getolereerd. In theorie creëert een verhoging van de ADI ruimte voor het vaststellen van hogere maximaal toegelaten residugehalten, en dus voor het toelaten van landbouwpraktijken die leiden tot hogere residuniveaus in de levensmiddelen (bv een hogere dosis). Maar uit de laatste reasoned opinion van EFSA waarin een berekening wordt gemaakt van de theoretische inname van residuen van glyfosaat blijkt dat in het meest ongustige geval nog geen 50% van de ADI wordt bereikt. Met andere woorden, de huidige ADI van 0,3 mg/kg lichaamsgewicht/dag is allerminst een beperkende factor voor het verhogen van de maximaal toegelaten residugehalten. Een verhoging van de ADI zal hierdoor geen effect hebben op de residugehalten.

Relevanter dan de bescheiden verhoging van de ADI is het vaststellen door EFSA van een tweede (relatief recente) toxicologische referentiewaarde die van belang is voor de risicobeoordeling van maximaal toegelaten residugehalten, namelijk de acute referentiedosis (ARfD; acute reference dose). Deze waarde geeft aan hoeveel glyfosaat we éénmalig mogen opnemen met het voedsel zonder dat dit effect heeft op het lichaam en werd door EFSA op 0,5 mg/kg lichaamsgewicht vastgesteld. Voortaan zal dus naast de toetsing aan de ADI (een toetsing die de chronische inname van residuen beschouwt) ook een toetsing gericht op acute effecten plaatsvinden. Voor de toepassingen die werden beoordeeld in de context van de aanvraag tot vernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat werd geen probleem van mogelijke overschrijding van de ARfD vastgesteld (de ingeschatte opname was steeds minder dan 10% van de ARfD). Momenteel is EFSA bezig met het toetsen van alle bestaande maximaal toegelaten residugehalten aan de nieuw vastgestelde toxicologische referentiewaarden. De toepassing van de nieuwe toxicologische referentiewaarden zal dus niet leiden tot de vaststelling van hogere maximaal toegelaten residugehalten. Als er iets verandert zal het veeleer een verlaging of een schrapping van sommige gehalten zijn, wat ertoe zou leiden dat er minder glyfosaatresiduen in het voedsel mogen zitten.

Top ↑

12. Is het niet zo dat glyfosaat overal teruggevonden wordt?

Studies hebben aangetoond dat glyfosaat wordt teruggevonden in bv. bier en urine, wat op een alomtegenwoordigheid van deze veel gebruikte stof lijkt te wijzen. De in de studies teruggevonden concentraties worden vaak vergeleken met de norm die geldt voor drinkwater. Een overschrijding van die norm wordt door sommigen als problematisch voorgesteld.

Deze norm is arbitrair vastgesteld op 0,1 µg/L voor eender welke werkzame stof (en voor de pertinente metabolieten van deze werkzame stoffen), en komt er in feite op neer dat geen aanwezigheid in het drinkwater wordt getolereerd (er vanuit gaande dat de analytische bepalingsgrens voor eender welke werkzame stof minstens 0,1 µg/L moet bedragen). Voor levensmiddelen afkomstig van gewassen behandeld met gewasbeschermingsmiddelen kan een dergelijke nultolerantie niet worden gehanteerd. De behandeling leidt in de meeste gevallen tot de aanwezigheid van residuen. De vraag die zich stelt is of het niveau van deze residuconcentraties al dan niet een nadelige impact kan hebben op de gezondheid. Hiertoe worden residuproeven uitgevoerd volgens de goede landbouwpraktijken en wordt nagegaan of de teruggevonden residugehalten kunnen leiden tot een inname van residuen die de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD; zie ook vraag 11) overschrijdt. Indien er geen gevaar bestaat voor overschrijding van deze waarden wordt een maximaal toegelaten residugehalte (maximum residue level of MRL) vastgesteld in de context van de Verordening (EG) nr. 396/2005. Er vindt dus onvermijdelijk een beperkte maar toxicologisch irrelevante inname plaats van glyfosaatresiduen via de voeding.

In de Europese wetgeving is het wettelijk maximaal toegelaten gehalte voor glyfosaat in gerst, één van de basisbestanddelen van bier, vastgesteld op 20 mg/kg. Voor bier is geen maximaal toegelaten gehalte vastgesteld, maar voor verwerkte producten zoals bier schrijft de Verordening (EG) nr. 396/2005 voor dat de maximaal toegelaten gehalten van de basisbestanddelen gelden mits rekening wordt gehouden met wijzigingen in de residugehalten als gevolg van de verwerking. Naar aanleiding van een studie inzake de aanwezigheid van glyfosaat in bier heeft het Duitse Bundesinstitut für Risikobewertung een risico-evaluatie verricht en geconcludeerd dat een volwassene zo’n 1000 liter van het bier met de hoogst teruggevonden concentratie van 30 µg/L op één dag zou moeten drinken om de toxicologische referentiewaarde voor glyfosaat te overschrijden. Maar wellicht zullen zich, vooraleer de consument deze 1000 liter tot zich heeft genomen, de gevolgen laten gevoelen van een ander bestanddeel in het bier, dat door het IARC een nog ongunstiger indeling als kankerverwekkende stof dan glyfosaat heeft meegekregen, nl. categorie 1 in plaats van categorie 2A. Een stof die bovendien aan een anderhalf miljoen maal hogere concentratie in het bier voorkomt dan de 30 µg/L glyfosaat. Deze stof is alcohol.

Er is dus wel degelijk een inname van glyfosaatresiduen via het voedsel, maar aan hoeveelheden waarbij de toxicologische referentiewaarden niet worden overschreden. Door middel van metabolismestudies werd nagegaan wat er gebeurt met glyfosaat opgenomen in het lichaam van proefdieren. De resultaten van deze studies tonen aan dat glyfosaat weinig wordt gemetaboliseerd. Met andere woorden, het wordt grotendeels onveranderd uitgescheiden door het lichaam, voor het grootste deel via de feces, en voor zo’n 20 % via de urine. Het is dus allerminst verrassend, en evenmin problematisch, dat sporen van glyfosaat in de urine worden teruggevonden.

De vermeende aanwezigheid van glyfosaat in moedermelk, zoals in juni 2015 in de media werd bericht op basis van niet-valideerbare analyseresultaten voor zestien stalen van moedermelk, werd trouwens niet bevestigd in een recente studie verricht in opdracht van het Duitse Bundesinstitut für Risikobewertung (BfR). In die studie, waarvan de resultaten in januari 2016 werden gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift, werden uiterst gevoelige meettechnieken gebruikt en werd glyfosaat in geen enkel van de 114 onderzochte stalen moedermelk teruggevonden.

Top ↑

13. Wordt er wel voldoende aandacht besteed aan de formuleringshulpstoffen, zoals POE-tallowamine, die in een gewasbeschermingsmiddel aanwezig zijn?

Het EU-systeem voor de evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen omvat twee stappen:

  • Een evaluatie van de werkzame stof op EU-niveau, die al dan niet leidt tot een EU-goedkeuring ; samen met het dossier voor de werkzame stof wordt overigens op dat niveau ook minstens één dossier voor een representatief gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat beoordeeld.
  • Een evaluatie van de gewasbeschermingsmiddelen die een goedgekeurde werkzame stof bevatten op nationaal niveau, met het oog op het al dan niet afleveren van een nationale toelating.

Het is vooral bij die tweede stap dat de formuleringshulpstoffen in beeld komen, maar niettemin is uit het Duitse evaluatieverslag voor glyfosaat gebleken dat de formuleringshulpstof POE-tallowamine, die voorkomt in een aantal gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat, de toxicologische werkingswijze van glyfosaat kan beïnvloeden. Daarom heeft de Europese Commissie EFSA opgedragen zich te buigen over de toxicologische eigenschappen van deze hulpstof. EFSA heeft daarover een statement gepubliceerd. EFSA heeft geconcludeerd dat er onvoldoende informatie aanwezig is voor die hulpstof om een sluitende risicobeoordeling uit te voeren. In de Conclusie over glyfosaat heeft EFSA ook gewezen op de noodzaak voldoende aandacht te besteden aan de eventuele genotoxische eigenschappen van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat. Ook dit houdt verband met de mogelijke impact van formuleringshulpstoffen.

Naar aanleiding hiervan heeft de Europese Commissie een verbod uitgevaardigd op gewasbeschermingsmiddelen die naast de werkzame stof glyfosaat ook de formuleringshulpstof POE-tallowamine bevatten. Meer informatie over dit verbod en over de uitvoering ervan in België kan worden gevonden in de vragen 16 en 18.

Overigens voorziet de Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen in de mogelijkheid om bepaalde formuleringshulpstoffen op een negatieve lijst te plaatsen. Stoffen die op deze lijst voorkomen kunnen niet langer als formuleringshulpstof in een gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt. Tot op heden is nog geen enkele stof in deze lijst opgenomen (hoewel een aantal hulpstoffen in België reeds lang verboden zijn), maar enige tijd geleden heeft de Europese Commissie een werkgroep opgericht die tot doel heeft een voorstel uit te werken voor een gelijkvormige EU-procedure tot opneming van formuleringshulpstoffen in de negatieve lijst.

Top ↑

14. Welke studies worden in rekening gebracht?

Overal ter wereld geldt de regel dat diegene die een stof op de markt wil brengen ook de nodige kosten en inspanningen moet leveren om te bewijzen dat die stof geen onaanvaardbaar risico vormt voor menselijke gezondheid en leefmilieu.

De Europese evaluatie is dus gebaseerd op een dossier ingediend door de producent. Dit dossier bevat voornamelijk studies uitgevoerd in opdracht van de producent. Een systeem waarbij de bevoegde overheden instaan voor het uitvoeren van deze studies is in geen enkel land voorzien: een dergelijke manier van werken zou gigantisch veel overheidsmiddelen en ambtenaren vergen, geen meerwaarde hebben t.o.v. het huidige systeem, en dus niet realiseerbaar zijn. Het zou erop neerkomen dat de ontwikkeling van nieuwe en veiligere gewasbeschermingsmiddelen ernstig vertraagd zou worden.

Daarom werd ervoor gekozen dat de producenten de studies weliswaar financieren, maar dat de laboratoria die de studies uitvoeren moeten voldoen aan heel strenge criteria op het vlak van transparantie en kwaliteit. Deze kwaliteit wordt nauwgezet gecontroleerd door de overheid:

  • enkel GLP (‘goede laboratorium praktijk’)-laboratoria mogen dergelijke proeven uitvoeren. Dit betekent dat iedere stap van voorbereiding, uitvoering en rapportering nauwgezet beschreven wordt, en ieder onderdeel dan ook traceerbaar moet zijn. Met andere woorden, de uitvoerende labo’s moeten aantoonbaar ‘zeggen wat ze doen, en doen wat ze zeggen’. Een dergelijke accreditatie wordt door nationale GLP-inspectoraten toegekend en regelmatig gecontroleerd.
  • Bij de indiening van deze GLP-rapporten controleren de nationale overheden op hun beurt of de uitgevoerde studies precies stroken met de studieprotocollen die wettelijk voorgeschreven zijn (‘vormelijk’), en of de interpretatie van de resultaten ervan wetenschappelijk (‘inhoudelijk’) steek houdt.

Naast door de producenten gefinancierde studies moet het Europese dossier ook de meest recente en de relevante literatuurstudies omvatten. Alle gepubliceerde studies van onafhankelijke laboratoria worden dus eveneens meegenomen in de evaluatie.

Het is belangrijk te benadrukken dat de door de producenten gefinancierde studies moeten voldoen aan uitgebreide wettelijke voorwaarden. Ze bevatten veel meer informatie dan de andere studies. Deze studies uitsluiten en de evaluatie enkel baseren op gepubliceerde studies zou leiden tot een erg onvolledig en scheefgetrokken zicht op alle mogelijke effecten van de gewasbeschermingsmiddelen.

De evaluatie van het IARC is, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, ten andere eveneens gebaseerd op enkele studies van de industrie.

Top ↑

15. Hebben de ‘Monsanto Papers’ niet aangetoond dat de studies gemanipuleerd kunnen worden ?

Uit de ‘Monsanto Papers’ is het volgende gebleken:

  • Monsanto heeft in 1999 Prof. Parry van de Universiteit van Swansea benaderd met de vraag een evaluatie te verrichten van de beschikbare gegevens inzake de mogelijke genotoxiciteit van glyfosaat(formuleringen). Prof. Parry raadde Monsanto aan een hele reeks bijkomende studies uit te voeren ten einde aan te tonen dat glyfosaat niet genotoxisch is. Het rapport van Parry werd niet ingediend bij de autoriteiten. De vraag is wat de impact is van de niet-indiening.
  • In Monsanto mails van 2015 wordt een strategie besproken om wetenschappelijke artikelen die gunstig zijn voor glyfosaat gepubliceerd te krijgen. Er wordt gedacht aan het opstellen van deze artikelen door Monsanto zelf, en dan onafhankelijke wetenschappers te benaderen opdat deze hun naam zouden verbinden aan de artikelen. In dit verband wordt verwezen naar de William, Kroes and Munro studie van 2000, die blijkbaar volgens dit mechanisme werd opgesteld. De vraag is hoe de autoriteiten zijn omgegaan met dit laatste artikel (Safety evaluation and risk assessment of the herbicide Roundup and its active ingredient, glyphosate, for humans; Regulatory Toxicology and Pharmacology).
  • In deze Monsanto mails van 2015 wordt voorgesteld de volgende wetenschappers te benaderen: Greim, Kier en Kirkland. In 2016 is in het wetenschappelijke tijdschrift Critical Reviews in Toxicology inderdaad een artikel verschenen onder de titel ‘A review of the carcinogenic potential of glyphosate by four independent expert panels and comparison to the IARC assessment’, met de genoemde wetenschappers als co-auteurs (naast talrijke andere). Opnieuw is de vraag hoe de autoriteiten zijn omgegaan met dit artikel.

Er moet dus worden nagegaan wat de impact was van deze studies op de besluitvorming door de autoriteiten.

Eerst en vooral dient benadrukt te worden dat de drie studies geen toxicologische studies zijn maar evaluaties van bestaande toxicologische studies. De autoriteiten, zowel op EU- als op nationaal niveau, verrichten zelf steeds een onafhankelijke evaluatie van de toxicologische studies. Deze toxicologische studies moeten worden verricht door laboratoria die erkend zijn als GLP-laboratoria (Good Laboratory Practices) en die worden gecontroleerd door de autoriteiten (zie vraag 14). Deze studies bevatten alle nodige ruwe gegevens die een grondige en onafhankelijke beoordeling van de toxicologische effecten mogelijk maken. De ‘Monsanto Papers’ bevatten geen enkele indicatie dat Monsanto zou hebben gepoogd of zelfs maar zou hebben overwogen om tussen te komen in de uitvoering van toxicologische GLP-studies.

a. Het Parry rapport

In zijn rapport geeft Parry een overzicht van alle beschikbare studies inzake genotoxiciteit van glyfosaat en van formuleringen op basis van glyfosaat. De resultaten van de studies worden in het kort weergegeven. Parry beveelt aan om verder onderzoek te doen.

Parry identificeert een aantal studies die positieve resultaten geven die mogelijkerwijs kunnen wijzen op genotoxische effecten. Elk van deze studies werd beoordeeld door de rapporterende lidstaat Duitsland in het Renewal Assessment Report. Sinds 1999 werden nog talrijke studies in dit verband uitgevoerd. Duitsland heeft alle studies grondig beoordeeld en op een weight of evidence basis besloten dat glyfosaat niet genotoxisch is. Er is niet de minste reden om aan te nemen dat het rapport van Parry Duitsland tot een ander inzicht zou hebben gebracht.

b. De Williams, Kroes and Munro studie van 2000

In de ‘acknowledgements’ op het einde van de studie is het volgende vermeld: “Second, we thank the toxicologists and other scientists at Monsanto who made significant contributions to the development of exposure assessments and through many other discussions”. De auteurs komen er dus op een transparante wijze voor uit dat er werd samengewerkt met Monsanto, en met dit gegeven waren bijgevolg ook de evaluatoren van Duitsland en van EFSA bekend.

Deze studie telt 48 bladzijden en biedt een overzicht van de effecten van glyfosaat, van de formuleringshulpstof POE-tallowamine, van de metaboliet AMPA en van Roundup formuleringen. De eindconclusie is dat glyfosaat geen probleem stelt voor de menselijke gezondheid. De studie komt voor in de referentielijst van de Renewal Assessment Report (RAR) van Duitsland.

Uit het Peer Review Report van EFSA blijkt dat deze studie in de stappen volgend op de indiening van de RAR door Duitsland geen enkele rol heeft gespeeld. Geen enkele lidstaat heeft in zijn commentaren op de RAR verwezen naar deze studie, de studie is geen enkele keer ter sprake gekomen in de expert meeting.

De studie is niet opgenomen in de referentielijst van het CLH-report dat Duitsland heeft opgesteld in het kader van de indeling van glyfosaat in toepassing van de Verordening (EG) nr. 1272/2008 (zie vraag 18). Duitsland komt in het CLH-report tot dezelfde conclusies als in de RAR, en daaruit kan worden afgeleid dat de studie niet bepalend is geweest voor de eindconclusies van Duitsland.

Naar aanleiding van de ‘Monsanto Papers’ heeft EFSA onderzocht wat de impact kan zijn geweest van mogelijkerwijs door Monsanto beïnvloede studies. EFSA heeft geconcludeerd dat er geen enkele grond is om te suggereren dat de producenten van glyfosaat het beoordelingsproces zouden hebben beïnvloed. EFSA heeft daarover een statement gepubliceerd.

c. De studie gepubliceerd in Critical Reviews in Toxicology in 2016

De studie werd gepubliceerd op 28 september 2016. De basis voor de evaluatie door ECHA is het CLH-report dat Duitsland heeft opgesteld. Duitsland heeft dit verslag in mei 2016 ingediend en kon dus op geen enkele wijze beïnvloed zijn door de studie. In het verslag stelt Duitsland voor om glyfosaat niet in te delen als kankerverwekkend.

Het Committee for Risk Assessment (RAC) van ECHA heeft zich aangesloten bij het Duitse voorstel om glyfosaat niet in te delen als kankerverwekkend.

Top ↑

16. Hoe werd de EU-goedkeuring van glyfosaat vernieuwd?

De Europese Commissie had in 2016 in overleg met de lidstaten een beslissing voorgesteld voor de vernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat. In dit initiële voorstel had de Commissie bepaalde nieuwe voorwaarden gekoppeld aan de vernieuwing:

  • Een verbod op de formuleringshulpstof POE-tallowamine in gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat (zie vraag 13).
  • Een verbintenis om de goedkeuring van glyfosaat te herzien zodra zou blijken dat glyfosaat in toepassing van Verordening (EG) nr. 1272/2008 als kankerverwekkende stof in de categorie 1A of 1B moet worden ingedeeld (zie vraag 17).
  • Een vereiste tot het indienen op korte termijn (tegen 01/08/16) van gegevens die moeten bevestigen dat glyfosaat geen endocriene werkingswijze vertoont (zie vraag 9).
  • Een vereiste dat de lidstaten in het kader van de nationale toelatingsprocedure er zich van zouden vergewissen dat de gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten geen genotoxische eigenschappen vertonen (zie vraag 13).
  • Een vereiste dat de lidstaten in het kader van de nationale toelatingsprocedure bijzondere aandacht moeten besteden aan de effecten op gewervelde landdieren (zie vraag 10).

Bij bespreking van dit voorstel heeft de Commissie moeten vaststellen dat er onvoldoende steun was vanwege de lidstaten. De Commissie heeft dit voorstel daarom verlaten.

Omdat de huidige goedkeuring van glyfosaat zou vervallen op 30 juni 2016 heeft de Commissie daarop een voorstel gedaan om deze met maximaal anderhalf jaar te verlengen. Dankzij deze verlenging zal het op het ogenblik dat de beslissing over de vernieuwing van de goedkeuring moet worden genomen (eind 2017) duidelijk zijn hoe het ECHA-voorstel inzake indeling van glyfosaat als al dan niet kankerverwekkende stof luidt (zie vraag 6 en vraag 17). De Commissie heeft dit voorstel tot verlenging aangenomen (als Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1056, gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU van 30 juni 2016). De huidige goedkeuring werd dus tijdelijk verlengd, en de beslissing tot vernieuwing van de goedkeuring uitgesteld.

In tweede instantie heeft de Commissie vervolgens een voorstel tot aanpassing van de huidige toelatingsvoorwaarden van glyfosaat aan de lidstaten voorgelegd. Dit bevat de volgende elementen:

  • Een verbod op de formuleringshulpstof POE-tallowamine in gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat.
  • De lidstaten worden aangemaand bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten bijzondere aandacht te schenken aan de risico’s die voortvloeien uit het gebruik in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, zoals parken, openbare tuinen, sport- en recreatieterreinen, schoolterreinen en speelplaatsen, en gebieden in de nabijheid van zorginstellingen.
  • De lidstaten moeten verder ook bijzondere aandacht besteden aan voor-oogsttoepassingen van glyfosaat en erover waken dat deze toepassingen niet in strijd zijn met de goede landbouwkundige praktijken ; in een begeleidend verslag preciseert de Commissie dat hiermee de toepassingen om de oogst te vergemakkelijken worden geviseerd, en niet het gebruik als onkruidbestrijder.

Dit voorstel heeft voldoende steun gekregen van de lidstaten. Ook België heeft dit voorstel gesteund. Het werd op 1 augustus 2016 aangenomen door de Commissie en op 2 augustus 2016 in het Publicatieblad van de EU gepubliceerd als Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1313.

Nu ECHA haar evaluatie heeft gepubliceerd (zie vraag 17) heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor de vernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat voor een duur van 10 jaar. Omdat er onvoldoende steun was voor dit voorstel heeft de Commissie een gewijzigd voorstel met een goedkeuringsduur van slechts 5 jaar (van 16 december 2017 tot 15 december 2022) voorgelegd aan de lidstaten. Dit voorstel heeft voldoende steun gekregen van de lidstaten en zal dus door de Commissie worden aangenomen.

Top ↑

17. Hoe ver staat het met de beoordeling van de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat door ECHA?

In de EU worden de chemische stoffen ingedeeld op basis van hun intrinsieke eigenschappen in toepassing van de Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Het is de Europese Commissie die de indeling vaststelt, maar dat gebeurt op basis van een opinie van het Committee for Risk Assessment (RAC) van de European Chemicals Agency (ECHA).

Op initiatief van Duitsland werd de procedure tot herziening van de reeds bestaande indeling (niet ingedeeld als kankerverwekkend) van glyfosaat opgestart. Duitsland heeft een zogenaamd CLH-report opgesteld en aan het RAC overgemaakt. Daarop is het RAC met het opstellen van zijn opinie begonnen. ECHA heeft op 15 maart 2017 via een persbericht laten weten dat het RAC heeft besloten dat er geen reden is om de huidige indeling van glyfosaat te wijzigen. Met andere woorden, het RAC heeft bevestigd dat er op basis van de voorliggende wetenschappelijke gegevens geen reden is om glyfosaat als kankerverwekkend in te delen.

Na een editoriaal nazicht (zoals voor alle opinies van het RAC gebeurt) heeft ECHA de opinie gepubliceerd op 15 juni 2017.

Net zoals dat voor EFSA het geval is zijn ook voor ECHA transparantie en onafhankelijkheid sleutelelementen. De curricula vitae en de verklaringen inzake belangen van alle leden van het RAC worden door ECHA gepubliceerd. De Rules of Procedure van het RAC omvatten alle nodige elementen om een onafhankelijk en transparant functioneren te verzekeren.

Top ↑

18. Wat doen de Belgische autoriteiten?

De IARC-indeling was voor de Belgische autoriteiten geen aanleiding om stappen te ondernemen ten aanzien van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten, en dit om de volgende redenen :

  • De indeling van het IARC komt niet overeen met eerdere indelingen, en ook niet met deze voorgesteld in het kader van de aanvraag tot vernieuwing van de EU-goedkeuring.
  • Er is geen wettelijke basis om de conclusie van het IARC zonder meer toe te passen.
  • Het Duitse gedetailleerde evaluatieverslag, dat geen indeling als kankerverwekkend voorstelt, is op een groter aantal studies gebaseerd dan de IARC-evaluatie en is dus vollediger.
  • De Europese Commissie heeft EFSA gemandateerd om het IARC-verslag samen met het Duitse verslag te beoordelen; EFSA heeft geconcludeerd dat er voorlopig geen voldoende reden is om glyfosaat als kankerverwekkend in te delen.
  • Een beslissing over de vernieuwing van de EU-goedkeuring moet op EU-niveau worden genomen. Als loyale lidstaat wenst België geen unilaterale beslissingen te nemen die ingaan tegen de principes van een geharmoniseerde EU-aanpak inzake gewasbeschermingsmiddelen.

Uiteraard heeft België rekening gehouden met de gewijzigde goedkeuringsvoorwaarden voor glyfosaat (zie vraag 16). In eerste instantie betekent dit de intrekking van alle toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat die POE-tallowamine als formuleringshulpstof bevatten. Hierbij gelden de volgende termijnen:

  • Het op de markt brengen en de opslag van deze middelen door de toelatingshouder was toegelaten tot 22/08/2016.
  • De op de markt aanwezige voorraden mochten door derden worden verkocht en opgeslagen tot 22/02/2017.
  • Het gebruiken is nog toegelaten tot 22/02/2018.

Vervolgens heeft het Belgische Erkenningscomité voor de bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik onderzocht of er maatregelen moeten worden genomen om de risico’s te beperken die voortvloeien uit het gebruik in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt. Het Comité heeft vastgesteld dat de accidentele blootstelling van kwetsbare groepen aan gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat aanvaardbaar is volgens de theoretische rekenmodellen wanneer deze middelen worden toegepast in overeenstemming met de voorwaarden van de toelatingsakte.

Het Comité heeft ook beoordeeld of de toegelaten toepassingen wel degelijk in overeenstemming zijn met de goede landbouwkundige praktijken. De in België toegelaten voor-oogsttoepassingen zijn enkel en alleen toegelaten voor de bestrijding van onkruiden en hebben dus geen betrekking op het door de Commissie geviseerde gebruik om de oogst te vergemakkelijken. Het Comité heeft niettemin vastgesteld dat wanneer deze toepassingen in het verleden werden toegelaten het gamma beschikbare herbiciden tegen onkruiden beduidend kleiner was dan vandaag. De goede landbouwpraktijken zijn geëvolueerd en herbiciden toegelaten om onkruid  in gezaaide gewassen te bestrijden zijn nu voldoende gevarieerd. Een glyfosaatbehandeling is meer aangewezen na de oogst, tegen de hergroei van stoppels en tegen onkruid in ontwikkeling, wat geen behandeling op een teelt is, maar tussen twee teelten. Daarom heeft het Comité besloten de toelating voor de voor-oogsttoepassingen in te trekken. Deze beslissing betreft de volgende teelten:

  • voedererwten (drooggeoogst)
  • vicia-bonen (paarde-, duive-, tuin-,...) (drooggeoogst)
  • zomer-/wintertarwe
  • zomer-/wintergerst
  • zomer-/winterrogge
  • zomer-/winterhaver
  • triticale
  • spelt

De vernieuwing van de EU-goedkeuring van glyfosaat vanaf 16 december 2017 (zie vraag 16) zal worden gevolgd door een herziening van alle nationale toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten. Daartoe moeten de toelatingshouders binnen de drie maanden na de vernieuwing een dossier indienen dat aantoont dat hun middel nog steeds beantwoordt aan de toelatingscriteria, rekening houdend met:

  • de nieuwe gegevensvereisten die in 2013 werden aangenomen (Verordening (EU) nr. 284/2013);
  • de voorwaarden opgenomen in de verordening waarbij de goedkeuring van glyfosaat wordt vernieuwd.

De lidstaten moeten tegen 15 december 2018 een beslissing nemen over de verlenging van de toelatingen.

Top ↑

19. Hebben andere EU-lidstaten al beperkende maatregelen genomen ten aanzien van glyfosaat?

Alle lidstaten moeten de goedgekeurde voorwaarden voor glyfosaat (zie vraag 16) moeten doorvoeren. Er is hiervoor geen strikte timing of methodologie opgelegd, wat betekent dat dit verschillend kan worden toegepast in iedere lidstaat.

Berichten die nog vóór de Europese wijziging van de toelatingsvoorwaarden in de pers verschenen, als zouden landen zoals Frankrijk en Nederland de verkoop van glyfosaatbevattende middelen aan amateurs hebben verboden, zijn onjuist. In Frankrijk werd een horizontale maatregel aangenomen die vanaf 1 januari 2019 van kracht zal worden en waarbij de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen aan amateurs zal worden beperkt tot middelen die kunnen worden ingezet in de biologische productiemethode, tot middelen die beantwoorden aan de definitie van ‘laag-risicogewasbeschermingsmiddel’ en tot ‘biocontrolemiddelen’. Uiteraard zal deze maatregel ook een impact hebben op de middelen die glyfosaat bevatten, maar het gaat dus allerminst om een maatregel die specifiek deze middelen viseert. Ook in Nederland gaat het om een algemene maatregel, namelijk over het gebruik van herbiciden op verharde terreinen, en dus niet over een maatregel die specifiek geldt voor middelen op basis van glyfosaat.

Top ↑