Dit is een analyse van de oproepen aan het Antigifcentrum: resultaten toxicovigilantie 2019-2022.
Laatste update: 24/06/2024
Blootstellingswegen en oorzaken van blootstelling
Uit de toxicovigilantiestudie blijkt dat huidcontact en inhalatie de belangrijkste blootstellingswegen zijn bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door professionele gebruikers, en in mindere mate contact met mond of ogen. De voornaamste oorzaken zijn contact met spuitnevels (vaak door een windvlaag), technische problemen (bijvoorbeeld problemen met aanvoerleidingen, lekken) en manipulatie van de verpakking (laten vallen, blootstelling bij de bereiding of bij het vullen van de spuittank). Ook contact met gecontamineerde handschoenen/kledij/schoeisel, contact bij reparaties aan het toestel en transportongelukken worden af en toe gemeld.
De oorzaken van deze contacten zijn vaak te zoeken bij het ontbreken van de aangewezen veiligheidsmaatregelen, zoals het dragen van handschoenen, maskers, oogbescherming, enzovoort. Ook wordt er soms onvoorzichtig tewerk gegaan bij het uitvoeren van herstellingen of wordt onvoldoende rekening gehouden met de weersomstandigheden: windvlagen kunnen bijvoorbeeld poeder of spuitnevels verspreiden.
Bij derden (personen die zelf niet met het gewasbeschermingsmiddel hebben gewerkt, zoals voorbijgangers of buurtbewoners) zijn inhalatie, contact met de mond en huidcontact de belangrijkste blootstellingswegen. Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld contact met een spuitnevel (fietsers of wandelaars die langs een veld passeren tijdens de bespuiting) of met een behandeld gewas.
Ernst van de symptomen
Bij de professionelen werden in ongeveer 44 % van de gevallen tijdens de eerste oproep geen of milde symptomen beschreven, in 41 % van de gevallen zijn er matige symptomen en in 15 % van de gevallen zijn er ernstige symptomen gemeld.
Op het moment van de telefonische opvolging (doorgaans enkele dagen tot één week na de eerste oproep) waren de meeste symptomen al milder of volledig verdwenen. Slechts één geval bleek ernstiger dan aanvankelijk ingeschat. Het ging hier om een professionele toepassing van een gewasbeschermingsmiddel op basis van Bacillus thuringiensis, dat gebruikt werd om de eikenprocessierups te bestrijden. De toepasser droeg geen masker, hoewel dit verplicht is bij gebruik van het betrokken product, en werd blootgesteld door inhalatie van de spuitnevel.
Sommige oproepen konden niet worden opgevolgd omdat de betrokkene niet telefonisch bereikbaar bleek.

Bij derden werden tijdens de oproepen voornamelijk geen of milde symptomen beschreven. In 17 % van de gevallen waren er ook matige tot ernstige symptomen.
Op het moment van de telefonische opvolging (doorgaans enkele dagen tot één week na de eerste oproep) waren praktisch alle symptomen al milder of volledig verdwenen. In één geval vertoonde een kind ernstige huiduitslag en jeuk na het eten van aardbeien die behandeld waren met een gewasbeschermingsmiddel op basis van bupirimaat. Nochtans had de aardbeiteler de vereiste wachttijd voor de oogst gerespecteerd. In dit geval is het niet duidelijk of de allergische reactie te wijten was aan bupirimaat of aan een aardbei-allergie.
0 = geen symptomen, geen doorverwijzing
1 = milde symptomen (bijv. duizeligheid, jeuk) en/of conditionele doorverwijzing huisarts/specialist
2 = matige symptomen en/of (conditionele) doorverwijzing naar huisarts/specialist
3 = ernstige symptomen (bijv. tweedegraads brandwonden) en/of rechtstreekse doorverwijzing naar ziekenhuis/oogarts
Werkzame stoffen
De werkzame stoffen waaraan professionelen werden blootgesteld zijn divers. Het gebruik van glyfosaat is verantwoordelijk voor 16 % van de slachtoffers en lambda-cyhalothrin is verantwoordelijk voor 13 % van de slachtoffers.
Niet-toegelaten gebruik
Gemiddeld 1 op 5 gevallen is gelinkt aan het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel na de einddatum van de toelating.
Lees hier onze tips voor professionele gebruikers om blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te vermijden.