Bepaalde gewasbeschermingsmiddelen hebben nadelige effecten op niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen/insecten (NTA) en niet-doelwitplanten (NTP) die zich buiten het behandelde veld bevinden. Voor deze producten moeten driftreducerende maatregelen (driftreducerende doppen, bufferzones, ...) worden gebruikt om de drift zoveel als nodig te beperken. Het driftreducerend materiaal voor de bescherming van NTA/NTP moet worden toegepast overheen het volledige perceel en niet enkel op alle randen van het perceel.
Door het opleggen van een algemeen minimum van 75% driftreductie, is de impact van maatregelen voor NTA en NTP beperkt tot het opleggen van de hogere minimale percentages driftreductie (90 en 99%).
Raadpleeg de brochure ‘Bufferzones en driftreductie’ en de ‘Lijst van erkende driftreducerende middelen en maatregelen’.
