Neonicotinoïden

De neonicotinoïden staan sinds enkele jaren in de schijnwerpers. Ze worden in verband gebracht met de bijensterfte, ze werden onderworpen aan beperkingen, sommigen vinden dat ze allemaal moeten worden verboden. Wat zijn neonicotinoïden, aan welke beperkingen werden ze onderworpen, welke toekomst hebben ze: op deze en andere vragen pogen we een antwoord te bieden in de onderstaande tekst. Dit zijn de vragen die we behandelen:

  1. Wat zijn neonicotinoïden?
  2. Welke neonicotinoïden zijn goedgekeurd in de EU?
  3. Welke beperkingen werden ter bescherming van bijen in de EU opgelegd aan de neonicotinoïden?
  4. Waarom heeft België niet voor het laatste voorstel van de Europese Commissie gestemd?
  5. Waarom werden niet dezelfde beperkingen opgelegd voor alle neonicotinoïden?
  6. Zullen de goedkeuringen voor de neonicotinoïden worden vernieuwd?
  7. Hoe zit het met de zogenaamde 120-dagen toelatingen (noodtoelatingen) voor de neonicotinoïden?
  8. Wordt het EFSA richtsnoer gebruikt voor de beoordeling van de effecten op bijen?

1. Wat zijn neonicotinoïden?

De neonicotinoïden zijn een groep van insecticiden van dezelfde zogenaamde chemische 'familie', waarmee chemicaliën met gelijkaardige moleculaire structuur worden aangegeven. Ze blokkeren de overdracht van zenuwimpulsen door in te werken op een bepaalde receptor in het zenuwstelsel van insecten, nl. de ‘nicotinic receptor’. Hun chemische structuur is verwant met die van nicotine. Afhankelijk van hun moleculaire structuur worden volgende drie subgroepen van neonicotinoïden onderscheiden:

De nitroguanidine neonicotonoïden:

  • clothianidin
  • dinotefuran
  • imidacloprid
  • imidaclothiz
  • thiamethoxam

De nitromethyleen neonicotinoïden:

  • nitenpyram
  • nithiazine

De pyridylmethylamine neonicotinoïden:

  • acetamiprid
  • cycloxaprid
  • imidacloprid
  • nitenpyram
  • paichongding
  • thiacloprid

Sommige neonicotinoïden behoren dus tot twee subgroepen. De molecule van imidacloprid b.v. omvat zowel het nitroguanidine onderdeel als de pyridylmethylamine onderdeel.

De neonicotinoïden worden weleens bestempeld als een 'nieuwe groep van insecticiden', maar in feite zijn de eerste neonicotinoïden al een hele tijd op de markt. In België is imidacloprid reeds toegelaten sinds het begin van de jaren ’90.

Top ↑

2. Welke neonicotinoïden zijn goedgekeurd in de EU?

In de EU zijn gewasbeschermingsmiddelen aan een dubbele procedure onderworpen:

  • De werkzame stoffen die ze bevatten moeten zijn goedgekeurd op EU-niveau;
  • De gewasbeschermingsmiddelen zelf moeten zijn toegelaten op lidstaatniveau.

Onze webpagina ‘De toelatingsprocedure in een notendop’ geeft hierover wat verdere informatie.

De volgende neonicotinoïden zijn goedgekeurd in de EU:

  • imidacloprid
  • clothianidin
  • thiamethoxam
  • acetamiprid
  • thiacloprid

De EU-goedkeuring van werkzame stoffen kan allerlei voorwaarden en beperkingen omvatten die door de lidstaten bij de goedkeuring van middelen op basis van deze stoffen in acht moeten worden genomen. Voor de beperkingen opgelegd bij de goedkeuring van de neonicotinoïden: zie vraag 3.

Gewasbeschermingsmiddelen op basis van die stoffen zijn toegelaten in België. Deze middelen kunnen op onze website worden teruggevonden, met alle details over de gebruiksvoorwaarden (teelten, doses, risicobeperkende maatregelen, …).

Top ↑

3. Welke beperkingen werden ter bescherming van bijen in de EU opgelegd aan de neonicotinoïden?

Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat sommige neonicotinoïden zeer gevaarlijk kunnen zijn voor bijen en andere bestuivers. Gelet hierop heeft de Europese Commissie in april 2012 de Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid (European Food Safety Authority; EFSA) opgedragen een evaluatie te verrichten van de effecten van het gebruik van de drie gevaarlijkste neonicotinoïden (imidacloprid, clothianidin, thiamethoxam) als zaaizaadbehandelingsmiddel en als granulaat op bijen en andere bestuivers. De toepassing van behandeld zaaizaad en van granulaten kan leiden tot stofvorming, waaraan bijen kunnen worden blootgesteld.

Begin 2013 heeft EFSA haar verslagen gepubliceerd:

EFSA heeft in deze conclusies vastgesteld dat in bepaalde situaties onaanvaardbare effecten op bijen niet kunnen worden uitgesloten.

Op grond van deze conclusies heeft de Europese Commissie, in overleg met de lidstaten, in mei 2013 de Verordening 485/2013 aangenomen. Hierbij werden de voorwaarden voor de goedkeuring van imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam verscherpt. Kort samengevat schrijft deze Verordening het volgende voor:

  • Het gebruik door particulieren werd verboden, de zaaizaadbehandeling werd beperkt, de bladbehandeling van de meeste graangewassen werd verboden, en voor een hele reeks opgesomde gewassen werd de toepassing beperkt (enkel in kassen of na de bloei). De lidstaten dienden hun nationale toelatingen aan te passen tegen 30/09/2013.
  • Tegen eind 2014 dienden de producenten verdere informatie aan te leveren die moest toelaten een aantal door EFSA geïdentificeerde onzekerheden in de risicobeoordeling weg te werken.
  • Binnen de twee jaar diende nieuwe wetenschappelijke informatie die relevant is voor de beoordeling van de risico’s die de drie stoffen inhouden voor bijen en andere bestuivers herzien te worden. In  de pers werd dit vaak ten onrechte aangeduid als een “moratorium” van twee jaar (waarmee bedoeld wordt dat de beperking voorlopig zou zijn), terwijl de hierboven vermelde beperkingen wel degelijk zonder vervaldatum in de wetgeving werden ingeschreven.

Intussen had de Europese Commissie EFSA gevraagd ook een risicobeoordeling te doen voor de andere toepassingen van de 3 genoemde neonicotinoïden dan als zaaizaadbehandeling en als granulaat. In augustus 2015 heeft EFSA haar conclusies daarover gepubliceerd:

In grote lijnen werden de onzekerheden en de risico’s geïdentificeerd in 2013 bevestigd. De Europese Commissie zag geen reden voor een nieuwe wijziging van de goedkeuringsvoorwaarden.

Eén van de vereisten van de Verordening 485/2013 was de indiening door de producenten van verdere informatie tegen eind 2014. Deze informatie werd eerst door een rapporterende lidstaat beoordeeld, en vervolgens heeft EFSA in november 2016 haar conclusies gepubliceerd, althans voor imidacloprid en clothianidin, want voor thiamethoxam werd binnen de gestelde termijn onvoldoende informatie ingediend:

Ten slotte, wat de aangekondigde herziening binnen de twee jaar betreft, werd als volgt te werk gegaan: de Commissie heeft EFSA gevraagd een data call-in te organiseren, waarbij eenieder – lidstaten, producenten, NGO’s – de mogelijkheid kreeg alle informatie in te dienen die hij relevant achtte voor de beoordeling van de risico’s voor bijen en andere bestuivers. EFSA heeft dan al deze gegevens geëvalueerd en in februari 2018 een nieuwe reeks conclusies gepubliceerd:

Op grond van deze opeenvolgende reeksen van EFSA conclusies heeft de Europese Commissie de goedkeuringsvoorwaarden verder verscherpt. Daartoe heeft de Commissie de Verordeningen 2018/783 (imidacloprid), 2018/784 (clothianidin) en 2018/785 (thiamethoxam) aangenomen, die voorschrijven dat gewasbeschermingsmiddelen die één of meer van de drie neonicotinoïden bevatten enkel nog mogen worden toegepast op gewassen die gedurende de volledige levenscyclus in een permanente kas blijven, of op zaaizaden die alleen bedoeld zijn voor gebruik in permanente kassen (waarbij het verkregen gewas de hele levenscyclus in deze kas blijft). De lidstaten moeten hun toelatingen in die zin aanpassen tegen 19/09/2018; uiterlijk op 19/12/2018 moeten de telers de nieuw ingestelde beperkingen in acht nemen.

Top ↑

4. Waarom heeft België niet voor het laatste voorstel van de Europese Commissie gestemd?

Een verordening betreffende de (niet-)goedkeuring van een werkzame stof wordt volgens de volgende procedure aangenomen:

  • De Europese Commissie stelt een voorstel van verordening op.
  • Dit voorstel wordt besproken in het Permanent Comité voor Planten, Dieren, Levensmiddelen en Diervoeders; alle lidstaten zijn vertegenwoordigd in dit Comité.
  • Na bespreking legt de Europese Commissie het voorstel voor ter stemming in het Permanent Comité.
  • Als een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten het Commissievoorstel steunt, dan kan de Commissie haar voorstel aannemen. Om een gekwalificeerde meerderheid te halen moet aan twee voorwaarden worden voldaan:
    • Minstens 16 van de 28 EU-lidstaten moeten voor stemmen; en
    • De lidstaten die voor stemmen moeten minstens 65% van de EU-bevolking vertegenwoordigen (België vertegenwoordigt 2,22%).

De Verordeningen 2018/783, 2018/784 en 2018/785, waarmee de Europese Commissie verdere beperkingen aan de neonicotinoïden imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam heeft opgelegd, werden op 27 april 2018 door de Commissie als voorstellen ter stemming voorgelegd aan het Permanent Comité. De voorstellen hebben het met een nipte gekwalificeerde meerderheid gehaald.

België heeft zich bij deze stemming onthouden. Met de onthouding werd aangegeven dat het voorstel niet volledig gesteund werd, maar dat ons land ook niet tegen het voorstel op zich was (anders hadden we tegen gestemd). Ons land steunt steeds zonder enig voorbehoud maatregelen die het leefmilieu en in het bijzonder bijen moeten beschermen tegen de impact van gewasbeschermingsmiddelen. Maar naar onze mening schieten de maatregelen van de Europese Commissie hun doel voorbij en kunnen ze als gevolg daarvan uiteindelijk zelfs leiden tot een negatieve impact op de bijenpopulaties. Vooral de behandeling van zaaizaad van bieten met neonicotinoïden zou mogelijk moeten zijn. Het gaat om een gewas dat niet bloeit tijdens de teeltcyclus en dat ook geen problemen stelt inzake guttatie (vorming van vochtdruppeltjes door de plant die door bijen kunnen worden opgenomen). Bovendien wordt bij de behandeling van bietenzaaizaad het gewasbeschermingsmiddel niet zomaar op het zaad aangebracht maar geïntegreerd in een hard laagje rond het zaad (het zaad is ‘gepild’). Deze techniek beperkt zeer sterk het vrijkomen van het gewasbeschermingsmiddel door stofvorming bij het uitzaaien. Dus, de teelt zelf is geen bron van blootstelling van bijen. Het belangrijkste probleem is de blootstelling via volggewassen. Neonicotinoïden breken namelijk niet snel af in de bodem en aanwezige resten zouden via opname door een voor bijen aantrekkelijk volggewas eventueel nog tot een onaanvaardbaar niveau van blootstelling kunnen leiden. In de praktijk worden bieten meestal gevolgd door graangewassen, een gewas dat weinig aantrekkelijk is voor bijen. Mits bepaalde voorwaarden inzake vruchtwisseling in acht worden genomen is het mogelijk een onaanvaardbaar risico uit te sluiten.

Als de bietentelers geen met neonicotinoïden behandeld zaaizaad kunnen aanwenden zullen ze bladbespuitingen moeten uitvoeren met andere insecticiden. Het is de vraag of de insecticiden die daarvoor zijn toegelaten, en die in tegenstelling tot de neonicotinoïden nog niet werden beoordeeld met toepassing van het EFSA Guidance Document on the Risk Assessment of Plant Protection Products on Bees (Apis mellifera, Bombus spp. and solitary bees) (zie ook vraag 8), na een risicobeoordeling overeenkomstig dit Guidance Document niet schadelijker voor bijen zullen blijken te zijn dan de zaaizaadbehandelingen met de neonicotinoïden. Het lijkt alleszins niet onwaarschijnlijk dat dit het geval zal zijn. Vandaar onze vrees dat de door de Commissie aangenomen beperkingen in sommige gevallen wel eens een negatieve impact zouden kunnen hebben op de bijenpopulaties.

Top ↑

5. Waarom werden niet dezelfde beperkingen opgelegd voor alle neonicotinoïden?

Er zijn in de EU 5 werkzame stoffen van de groep van de neonicotinoïden goedgekeurd, maar er werden slecht voor 3 van die 5 stoffen beperkende maatregelen genomen ter bescherming van bijen (zie vraag 2 en vraag 3). Het is naar aanleiding van een aantal wetenschappelijke publicaties in verband met de giftigheid van imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam voor bijen en hommels dat de Europese Commissie EFSA in 2012 heeft gevraagd om de risico’s voor bijen voortvloeiend uit het gebruik van die drie stoffen te onderzoeken. Voor acetamiprid en thiacloprid waren er geen zo’n duidelijke signalen vanuit de wetenschappelijke wereld. Het was dan ook verantwoord, gelet op de beperkte middelen waarover EFSA beschikt, om de evaluatie te beperken tot de meest kritieke stoffen, wetende dat de andere stoffen in het kader van een eventuele aanvraag tot vernieuwing van de goedkeuring hoe dan ook eveneens opnieuw zullen worden beoordeeld (zie ook vraag 6).

De neonicotinoïden kunnen echt niet zomaar over één kam worden geschoren: hun eigenschappen kunnen onderling sterk verschillen. Laten we bij voorbeeld de giftigheid van clothianidin voor bijen vergelijken met deze van acetamiprid:

Werkzame stof

Clothianidin1

Acetamiprid2

LD50 acute toxiciteit door contact

0,0258 µg/bij

9,26 µg/bij

LD50 acute orale toxiciteit

0,00379 µg/bij

8,85 µg/bij

Chronische toxiciteit (10 dagen)

LDD50: 0,00095 µg/bij/dag

LDD50: 11,7 µg/bij/dag

1Gegevens uit de EFSA Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment for bees for the active substance clothianidin considering the uses as seed treatments and granules

2Gegevens uit de EFSA Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance acetamiprid

De LD50 geeft aan welke hoeveelheid van de stof in een test leidt tot een sterfte van 50% na eenmalige toediening (= acute toxiciteit), hetzij door contact, hetzij door orale inname. Dus, hoe kleiner de waarde vermeld in de tabel, hoe giftiger de stof. Het zal duidelijk zijn: clothianidin is acuut véél giftiger voor bijen dan acetamiprid, namelijk bij contact zo’n 359 keer meer giftig (9,26 : 0,0258 = 359) en bij orale inname 2335 keer (8.85 : 0,00379).

Voor de bepaling van de chronische toxiciteit wordt de stof gedurende 10 dagen toegediend. Hier geldt dezelfde conclusie: clothianidin is veel giftiger voor bijen, ook bij chronische toediening.

Beide stoffen worden in de landbouwpraktijk overigens toegepast aan dosissen van dezelfde grootteorde. Het is dus niet zo dat het effect van de lagere toxiciteit van acetamiprid teniet wordt gedaan door een hogere toepassingsdosis.

Iedere stof moet op dezelfde wijze worden beoordeeld. Tot welke chemische groep een werkzame stof behoort is in wezen niet relevant. Binnen zo’n chemische groep kunnen de eigenschappen van de individuele stoffen zeer sterk verschillen. Maatregelen nemen ten aanzien van een gehele chemische groep van stoffen heeft geen enkele wetenschappelijke grond.

Gelet op deze context zijn discussies over de vraag of bepaalde nieuwe werkzame stoffen nu al dan niet tot de neonicotinoïden moeten worden gerekend uiteindelijk weinig relevant. Elke stof moet objectief en op dezelfde wijze worden beoordeeld, zonder enig vooroordeel gebaseerd op de chemische groep waartoe de stof behoort.

Zo’n discussie over de chemische indeling werd bij voorbeeld gevoerd in verband met het insecticide sulfoxaflor. De acute giftigheid van deze stof ten aanzien van bijen situeert zich ergens tussen die van clothianidin en die van acetamiprid. Er werd in België een aanvraag tot toelating ingediend voor een gewasbeschermingsmiddel op basis van deze stof, en dit zowel voor toepassingen in het volle veld als in kassen. De aanvraag werd door de Belgische autoriteiten geëvalueerd en een toelating werd verleend, zij het enkel voor toepassingen in kassen. Deze beperking werd opgelegd omdat niet op geheel overtuigende wijze werd aangetoond dat de blootstelling van bijen en andere bestuivers bij toepassing in het volle veld voldoende laag is om tot een aanvaardbaar risico te kunnen besluiten.

Ook fipronil wordt soms in één adem genoemd met de neonicotinoïden omdat het op EU-niveau in 2013 aan dezelfde beperkingen als enkele neonicotinoïden werd onderworpen. Fipronil is echter geen neonicotinoïde; het is een phenylpyrazole insecticide. Deze stof is intussen niet langer goedgekeurd in de EU.

Top ↑

6. Zullen de goedkeuringen voor de neonicotinoïden worden vernieuwd?

Werkzame stoffen worden op Europees niveau goedgekeurd voor een bepaalde periode, waarna de goedkeuring kan worden vernieuwd na een nieuwe evaluatie; doorgaans bedraagt deze periode 10 jaar voor een eerste goedkeuring en 15 jaar in geval van een vernieuwing van een goedkeuring. Een regelmatige herevaluatie laat toe nieuwe ontwikkelingen mee te nemen:

  • De wettelijke gegevensvereisten (d.w.z. de studies die de aanvrager in zijn dossier moet aanleveren) werden in 2013 aangepast en het ingediende dossier ziet er nu dus anders uit dan 10 jaar geleden;
  • Er zijn nieuwe richtsnoeren ontwikkeld sinds de vorige evaluatie; deze richtsnoeren zijn gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten en laten een meer verfijnde risicobeoordeling toe;
  • Er wordt rekening gehouden met de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd sinds de vorige evaluatie.

Kort samengevat verloopt de procedure voor de vernieuwing als volgt:

  • De producent dient een dossier in bij een lidstaat die door de Europese Commissie is aangewezen als rapporterende lidstaat (rapporteur Member State; RMS);
  • De RMS stelt een evaluatieverslag op (draft renewal assessement report; dRAR);
  • EFSA organiseert een peer review van het dRAR (uitnodiging aan alle lidstaten en alle belanghebbenden om commentaar te leveren op het dRAR, meestal gevolgd door één of meerdere expert meetings);
  • EFSA stelt een conclusie op.

Sinds de initiële goedkeuring werd voor één van de neonicotinoïden de goedkeuring reeds vernieuwd, nl. voor acetamiprid. De goedkeuring van deze stof werd bij Verordening 2018/113 verlengd tot 28/02/2033. De lidstaten moeten nu alle gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten opnieuw evalueren. Ze moeten daarbij in toepassing van de Verordening 2018/113 bijzondere aandacht besteden aan een aantal aspecten, waaronder het risico voor bijen. Maar een beperking om de bijen te beschermen was niet nodig (zie in dit verband ook vraag 5).

Voor thiacloprid is de evaluatie door EFSA van de aanvraag tot vernieuwing van de goedkeuring nog bezig. De huidige goedkeuring loopt nog tot 30/04/2019. Als om redenen buiten de wil van de aanvrager een goedkeuring waarschijnlijk zal vervallen alvorens over de verlenging een beslissing is genomen, zal de Europese Commissie deze goedkeuring voorlopig verlengen met een termijn die voldoende is om de beslissing te nemen (art. 17 van de Verordening 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen). Het ziet er naar uit dat zo’n verlenging nodig zal zijn voor thiacloprid. Eén van de meest problematische aspecten van deze stof is de indeling als toxisch voor de voortplanting, categorie1B (stoffen waarvan verondersteld wordt dat zij toxisch zijn voor de menselijke voortplanting), in toepassing van de Verordening 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Een stof met een dergelijke indeling kan volgens de Verordening 1107/2009 maar worden goedgekeurd indien de blootstelling van mensen in realistische gebruiksomstandigheden verwaarloosbaar is of mits aangetoond wordt dat de stof nodig is voor de bestrijding van een fytosanitair gevaar dat op geen enkele andere manier te beheersen is. Voor deze stof is het dRAR reeds beschikbaar.

Wat de drie andere goedgekeurde neonicotinoïden betreft:

  • Imidacloprid is nog goedgekeurd tot 31/07/2022;
  • Clothianidin is nog goedgekeurd tot 31/01/2019; EFSA heeft het dRAR van de RMS ontvangen, maar deze moet nog worden gepubliceerd; het lijkt duidelijk dat een voorlopige verlenging van de goedkeuring in toepassing van art. 17 van de Verordening 1107/2009 nodig zal zijn;
  • Thiamethoxam is nog goedgekeurd tot 30/04/2019; verder is de stand van zaken volkomen vergelijkbaar met deze voor clothianidin.

Vandaag kan niet worden voorspeld tot welke beslissing de evaluatie van deze stoffen uiteindelijk zal leiden. Dit kan gaan van een beslissing om de stof niet langer goed te keuren, tot een beslissing waarbij de nu geldende beperkingen worden opgeheven.

Overigens, de goedkeuring van een stof kan op ieder ogenblik worden herzien in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis (artikel 21 van de Verordening 1107/2009). Het is dus niet omdat een stof is goedgekeurd voor 10 of 15 jaar dat er gedurende die periode niets kan worden ondernomen. Het is trouwens in toepassing van dit artikel 21 dat de Europese Commissie aan EFSA heeft gevraagd de evaluaties te verrichten die hebben geleid tot de beperkingen.

Top ↑

7. Hoe zit het met de zogenaamde 120-dagen toelatingen (noodtoelatingen) voor de neonicotinoïden?

De lidstaten van de Europese Unie zijn gemachtigd om noodtoelatingen te geven voor gewasbeschermingsmiddelen die niet de reguliere toelatingsprocedure hebben doorlopen. Deze zijn geldig voor een periode van maximaal 120 dagen, en bieden dus slechts een tijdelijke oplossing. Dit kan echter alleen als de plantaardige productie op geen enkele andere redelijke manier kan worden beschermd, en dient met andere woorden om de landbouw te beschermen tegen plagen of onkruiden waartegen geen toegelaten gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar zijn. Raadpleeg hier de volledige lijst van Belgische noodtoelatingen.

Zoals onder vraag 4 uitgelegd is de productie van bieten in gevaar met het wegvallen van de neonicotinoïden en is er geen blootstelling van bijen als de volggewassen niet bloeien of niet bezocht worden door bijen. Omdat het verbod zal leiden tot de inzet van andere gewasbeschermingsmiddelen, wordt gevreesd voor een negatief effect op bijen. Hetzelfde geldt voor de zaadbehandeling van sla en wortelen. Sla wordt binnen uitgezaaid en in perspotjes uitgeplant. Wortelzaadjes worden heel degelijk gecoat. In beide teelten speelt stofdrift bij het uitzaaien dus geen of weinig rol. De gewassen vertonen ook heel weinig guttatie.

Een noodtoelating wordt door België pas verleend na evaluatie van alle beschikbare gegevens. Daarbij worden zoveel maatregelen opgelegd als nodig om de geïdentificeerde risico’s te beperken. In dit geval betreft dit dus alleen de blootstelling van bijen, omdat alle andere mogelijke risico’s (bv. voor vogels of voor de consument) reeds onderzocht werden bij het verlenen van de toelatingen voor de betrokken gewasbeschermingsmiddelen.

Gelet op al deze omstandigheden heeft het Erkenningscomité voor de bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik zijn akkoord gegeven voor een noodtoelating voor suikerbieten (thiamethoxam of clothianidin), wortelen (thiamethoxam) en sla (thiamethoxam) mits er garanties kunnen worden geboden dat er geen bloeiende volggewassen of –tussen de gewassen door- groenbemesters worden geteeld die aantrekkelijk zijn voor bijen. Als volggewassen komen dus enkel granen (behalve maïs) in aanmerking, en alle andere gewassen die geoogst worden voor de bloei.  Na twee jaar, wanneer de resterende concentraties van neonicotinoïden in de bodem al sterk gedaald zullen zijn, worden bloeiende maar weinig aantrekkelijke gewassen zoals aardappelen en maïs aanvaard. De gewestelijke overheden kunnen hiertoe de nodige garanties bieden.

Top ↑

8. Wordt het EFSA richtsnoer gebruikt voor de beoordeling van de effecten op bijen?

Voor de beoordeling van studies uitgevoerd met gewasbeschermingsmiddelen en de werkzame stoffen ervan wordt vaak gebruik gemaakt van wetenschappelijke of technische richtsnoeren. De studies kunnen immers heel complex zijn en de evaluatie ervan is dan ook allerminst evident. Het is bovendien belangrijk dat alle lidstaten de studies op dezelfde wijze beoordelen. Daarom worden richtsnoeren uitgewerkt die in detail uitleggen hoe de dossiers moeten worden opgesteld door de aanvragers en hoe de studies moeten worden geëvalueerd door de lidstaten.

Normaal gezien wordt een richtsnoer maar gebruikt in de risicobeoordeling van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen nadat het Permanent Comité voor Planten, Dieren, Levensmiddelen en Diervoeders er nota van heeft genomen. Bij die gelegenheid wordt vastgesteld vanaf wanneer aanvragen met toepassing van het richtsnoer zullen worden beoordeeld. Dit is belangrijk om redenen van voorspelbaarheid en harmonisatie, en om de fabrikanten toe te laten de nodige gegevens te genereren en in te dienen.

EFSA heeft in 2013 een richtsnoer gepubliceerd voor de risicobeoordeling van de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op honingbijen, hommels en wilde bijen (Guidance Document on the Risk Assessment of Plant Protection Products on Bees (Apis mellifera, Bombus spp. and solitary bees)). Toen de Europese Commissie voorstelde aan het Permanent Comité om nota te nemen van dit richtsnoer heeft een vrij groot aantal lidstaten zich hiertegen verzet. Zij waren van mening dat dit richtsnoer de lat op een onrealistisch hoog niveau legt, en dat bijgevolg stoffen die niet problematisch zijn voor bijen bij toepassing van het richtsnoer ten onrechte als risicovol voor bijen zouden worden geïdentificeerd. Meer dan 5 jaar na de publicatie van het EFSA richtsnoer heeft het Permanent Comité er nog steeds geen nota van genomen. De Commissie zoekt momenteel een oplossing door een trapsgewijze toepassing van het richtsnoer voor te stellen.

Toen de Commissie EFSA in 2012 de opdracht gaf de effecten van de drie neonicotinoïden op bijen nader te beoordelen (zie vraag 3) was het EFSA richtsnoer nog niet beschikbaar. Maar de grote lijnen van het richtsnoer tekenden zich wel al af in een voorbereidend document van EFSA (Scientific Opinion of the Panel on Plant Protection Products and their Residues on a request from the European Commission on the science behind the development of a risk assessment of plant protection products on bees (Apis mellifera, Bombus spp. and solitary bees). De Commissie heeft EFSA in 2012 gevraagd dit document als basis voor de risicobeoordeling te gebruiken. Voor de daaropvolgende reeksen van conclusies heeft de Europese Commissie EFSA expliciet gevraagd haar intussen gepubliceerde richtsnoer aan te wenden.

Zolang er geen nota wordt genomen van het EFSA richtsnoer van 2013 blijft in principe het ‘Guidance Document on terrestrial ecotoxicology’ van toepassing voor de beoordeling van studies m.b.t. bijen. Dit document dateert van 2002 en werd opgesteld door de Europese Commissie in samenwerking met de lidstaten. Nog geen drie bladzijden ervan zijn gewijd aan de risicobeoordeling voor bijen (het EFSA richtsnoer telt 268 bladzijden…). Het is volstrekt ontoereikend om alle studies die moeten worden aangeleverd uit hoofde van de huidige gegevensvereisten op een adequate wijze te beoordelen. De chronische toxiciteit bv. komt niet aan bod. Het is dan ook begrijpelijk dat de Commissie EFSA heeft gevraagd haar richtsnoer toe te passen voor de beoordeling van de neonicotinoïden, niettegenstaande het feit dat er nog geen nota van werd genomen in het Permanent Comité.

Anderzijds moet worden erkend dat de volledige toepassing van het EFSA richtsnoer de beschikbaarheid van een hele reeks studies, met inbegrip van veldstudies, veronderstelt. Het genereren van deze studies vergt heel wat tijd. Veel van deze studies waren niet beschikbaar toen de Commissie in 2012 aan EFSA heeft gevraagd de ‘Scientific Opinion of the Panel on Plant Protection Products and their Residues on a request from the European Commission on the science behind the development of a risk assessment of plant protection products on bees (Apis mellifera, Bombus spp. and solitary bees)’ toe te passen; de toenmalige wettelijke gegevensvereisten schreven deze studies immers niet voor. Dat heeft ertoe geleid dat EFSA in haar conclusies van 2013 heeft geoordeeld dat een risico in heel wat situaties niet kon worden uitgesloten omdat er onvoldoende studies waren. Voor de daaropvolgende reeksen van conclusies heeft EFSA zich weliswaar kunnen baseren op een aanzienlijk groter aantal studies, maar toch heeft EFSA opnieuw voor een aantal situaties de risicobeoordeling niet kunnen voltooien omdat daartoe de nodige studies ontbraken. Mogelijkerwijs werd er onvoldoende tijd gegund aan de producenten om alle studies te genereren, of was de capaciteit bij de onderzoeksinstellingen die dergelijke studies kunnen uitvoeren onvoldoende. Hoe dan ook, de beperkingen die de Europese Commissie in 2018 aan de neonicotinoïden heeft opgelegd (zie vraag 3) zijn deels terug te voeren tot de onzekerheid die voortvloeit uit het ontbreken van een aantal studies, en dus niet altijd tot de vaststelling van een reëel risico.

De Belgische autoriteiten hebben geoordeeld dat het nodig is om het EFSA richtsnoer op zijn minst deels toe te passen in de procedure voor de nationale toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Een document verheldert hoe we daar mee omgaan.

Top ↑